Er
zijn van die verhalen die de wereld er voor de lezer even anders laten uitzien.
Zo'n verhaal is Het tunnelkind van de Australische schrijfster Sonya
Hartnett. Een obsederend epos is het, geestig en tragisch, beklemmend en aandoenlijk
tegelijk. Meesterlijk en meeslepend geschreven en gecomponeerd ook, en ongemeen
krachtig door wat niet wordt verteld. Een boek dat zich in het grensverkeer
tussen volwassen en jeugdliteratuur beweegt, zoals Bart Moeyaerts Het is
de de liefde die we niet begrijpen en De Arkvaarders van Anne Provoost.
Een verhaal ook in de traditie van Carson McCullers' The Member of the
Wedding. Kortom, een boek zoals je er maar zelden een te lezen krijgt.
Het verhaal: Harper Flute, twintig, doet nuchter en argeloos
het relaas van haar kindertijd tijdens de grote depressie in de jaren 1930.
Over haar ouders gaat het: over haar vader Court, veteraan van de Eerste Wereldooorlog
en voor bewezen diensten door de staat beloond met een bouwvallige barak waarin
een onfortuinlijke goudzoeker ooit het geluk zocht, ergens op een afgelegen
stuk grond in Australië. Boeren ligt hem niet. Geld beheren evenmin.
Het gezin overleeft met moeite met de opbrengst van konijnenpelzen. Na een
serie tegenvallers en weinig strategische beslissingen blijft er nauwelijks
meer dan een schimmige, verbitterde drinker van hem over, die niets meer onderneemt
om zijn gezin te onderhouden. Harpers moeder, Thora, houdt eerst nog het hoofd
hoog en is, ondanks alle ellende, een koesterende moeder voor Harper, maar
wordt op den duur evengoed een "spookachtige Mam". Niet verwonderlijk.
Het gezin van vijf kinderen valt uiteen. De oudste zoon Devon trekt uiteindelijk
naar de stad om zijn geluk te beproeven. Audrey gaat in dienst bij een dubieuze
weduwnaar en komt ontnuchterd en ontgoocheld terug. De jongste, Caffy, valt
in een boorput en overleeft het niet. En dan is er Tin, de onzichtbare en
tegelijk altijd aanwezige held van het boek. Op de dag van de geboorte van
de jongste, Caffy, raakt hij bedolven onder een laag modder. Redding blijkt
onmogelijk. Maar het ongelooflijke doet zich voor: de vierjarige kleuter graaft
zichzelf een weg terug en wordt door de aarde beloond met een nieuw leven.
Vanaf die dag gaat Tin ondergronds. Eerst in een schuilplaats
die hij onder de veranda uitgraaft, later in een netwerk van tunnels die de
hele streek doorkruisen en die de barak als een kaartenhuis doen instorten.
"Het was alsof de aarde gewoon openspleet onder zijn aanraking, zoals
water uiteengaat voor een zwemmer. Het was alsof de grond genoot van alle
aandacht... Ik stond ademloos te kijken, begreep voor de eerste keer dat Tin
veel meer was dan een jongen die toevallig onder de grond leefde: hij werd
daar beneden bemind, hij was nodig, was geroepen." Tot die conclusie
komt Harper, wanneer Tin even opduikt in een poging om zijn broertje uit de
boorput te halen. Nog twee keer komt hij bovengronds. Eerst om zijn aangerande
oudste zus te wreken, later met een klomp goud, gevonden in zijn uitgegraven
catacomben, om zijn familie van de armoede te bevrijden.
Sonya Hartnett laat de lezer toe in het hoofd van een klein
meisje en begluurt met haar en met haar onderaardse broer de chaotische wereld
van de volwassenen. Ze laat Harper nuchter registreren wat haar omgeving overkomt
en hoe die daarop reageert. Daarbij tekent ze met veel understatement het
groeiproces van de kleine vertelster, die bij zichzelf vaststelt dat een en
ander verandert. "Ik had weer het gevoel dat me naarmate ik ouder werd
steeds meer overviel, alsof ik alles door een dichte mist zag, alsof ik iets
porbeerde vast te pakken dat mijn vingers wel konden aanraken maar geen greep
op kregen. Ik wist het toen nog niet, maar begon langzaam te beseffen dat
de wereld niet één plaats is maar twee, en dat je met het voorbijgaan
van de tijd van de ene naar de andere plaats overgaat."
Harper blijft, in het hele boek, de enige die, zij het niet
lijfelijk, voeling houdt met haar mythische broer Tin, de eeuwige graver.
"Tin graaft en ik heb altijd geloofd dat hij geboren is om te graven",
zegt ze met een ontroerende vanzelfsprekendheid en "voorbestemd zoals
een van die witte naakte mollen die op de wereld komen met de aandrang hun
klauwen in de veilige grond te zetten". Tin, door zijn ondergrondse bestaan
en zijn isolement uitgegroeid tot een mythisch creatuur, gaat stilaan een
eigen leven leiden in de verhalen en de speculaties van de 'normale' mensen.
Hartnett creëerde met haar personage een intrigerende metafoor. Ook het
beeld van de modder is boeiend: voor Court, tijdens zijn loopgraventijd, een
onoverwinnelijke vijand ("Ik slaagde er nooit in te graven tot ik veilig
was, zoals de generaal me had gezegd"). Dat zijn zoon Tin diezelfde vijand
zo wonderlijk beheerst, maakt diens vreemde gedrag voor hem aannemelijk.
Het tunnelkind is een adembenemend boek over de onmacht
en de onvermijdelijke eenzaamheid van mensen en over de genadeloze natuurkrachten.
Het vertelt een ongelooflijk en bijwijlen absurd verhaal op zo'n pakkende
manier dat het verbluffend geloofwaardig wordt. Hartnett schrijft levensechte
dialogen en zet personages neer in al hun kwetsbare menselijkheid. Ze beschrijft
gebeurtenissen en de bijbehorende decors met een filmische precisie en roept
daarbij een unheimliche sfeer op en een bodemloze melancholie die je
een tijdlang niet meer loslaat.
Sonya Hartnett
Het tunnelkind
Houtekiet, 176 p., € 15,95.
vanaf 13 jaar.